dinsdag 22 december 2009

Help!

Ik probeer mijzelf er telkens weer toe te zetten:
leren voor de aankomende toetsweek, mijn dossiers afmaken etc.

Het lukt allemaal niet.

Maar wat maakt het eigenlijk uit? Jij leest dit.

Je zou dit lezen als ik een 10 had gehaald voor de laatste toets, of als ik een 1 had gehaald.

Echter, als ik nu met huiswerk bezig was geweest, had je dit niet kunnen lezen.

Dus: alstjeblieft.


-En bedankt he, dat je mij van m'n huiswerk afhaalt.

Sneeuw

Ik trek mijn jas aan, doe mijn shawl om en open de deur.
Het is al donker buiten en tot mijn grote vreugde zie ik dat er weer sneeuw valt.
Een dikke laag poedersuiker bedekt de straten, stoepranden zijn met hun bruine sneeuwbrokken delen van een appeltaart. Ik sluit de deur achter me en luister naar het geknerp van de sneeuw onder mijn schoenen. De sneeuw dempt alles, zet de wereld in slow-motion: auto's rijden langzaam, fietsers fietsen langzaam en voetgangers stappen behoedzaam rond. Ik doe mijn oordopjes in en zet mijn muziek aan. Ik hoor een liedje van Lionel Richie dat ik nog niet eerder heb gehoord:
"I'm just a face, in the crowd. You propably don't know me, as I don't stand out..

Ik loop verder, glij hier en daar weg, en zie mijn zwarte jas veranderen in een nacht vol sterren. Ik sta even stil, kijk omhoog en zie de vlokken vallen. Duizenden. Miljoenen. Ze komen van zo ver, dat het lijkt alsof ze ter plekke voor mijn ogen ontstaan. Een intens geluksgevoel overvalt me.
Ik open mijn mond en voel de sneeuw smelten op mijn tong.
Ik proef het leven.

woensdag 16 december 2009

Niet

Ik kan niet denken aan een warhoofd zonder planner
niet aan een wijnsoort zonder kenner
niet aan een schrijfsel zonder maker
niet aan een leeg pand zonder kraker
niet aan een wereld zonder mensen
niet aan een leven zonder wensen
niet aan een slaapnacht zonder dromen
niet aan een bospad zonder bomen
niet aan de wereld zonder zon
niet aan een kind zonder ballon
niet aan een verleden zonder ouder
niet aan een winter, alsmaar kouder
niet aan een liefde van één kant
niet aan een doodgraver zonder klant
niet aan het leven op de rand
niet aan een zwartzee zonder land.

Herinnering

Kijk Shaffy daar lig je dan.
Kou waait door de straten,
voetstappen weerklinken niet -de auto's schreeuwen er boven uit-
tranen worden niet gehoord, of niet gezien.
Inkt omlijst jouw gezicht, dat nu vereeuwigd is.
Jouw gezicht, dat de mensen aankijkt, of omhoog, de lucht in.
De verfrommelde, natte en betrapte krant van waaruit jij opkijkt zal eveneens gauw verdwijnen.
Dan gelooft niemand dit gedicht.

maandag 7 december 2009

Vrij(blijvend)

Ik zit in de trein, in de spits. Ondanks dat het december is, is het mij te druk in de coupé.
Mensen staren voor zich uit, doen alsof ze de boer van hun buurman niet hebben gehoord,
alsof ze de twaalf piercings in het gezicht van dat meisje daar niet zien,
alsof ze niet zien dat jij oplet, om je heen kijkt.
Elke keer dat ik in de trein zit, moet ik een besluit maken.
Zal ik uitstappen?
Als ik blijf zitten, dan eindig ik in Maastricht. Ik stap dan uit, bel mijn neef op en dan hebben we een leuke dag. Stap ik uit op het Centraal Station van Amsterdam, dan ga ik naar de film, haal ik een broodje. Of ik doe oordoppen in en stap op een willekeurig station in een willekeurige stad uit een willekeurige trein. Gewoon, niet op borden kijken, maar gaan.

Waar zal ik belanden? Kom ik vroeg of laat weer in Zaandam aan?
Eindig ik in Moskou?
Zweden?
Enschede?
Schiphol?

Gewoon maar gaan, zien waar ik strand. (Tuurlijk, dat zou ook nog kunnen, dat ik op het strand terechtkom. Hoewel ik daar nooit treinen zie rijden...)

Tot nu toe ben steeds netjes uitgestapt bij Amsterdam Amstel.
Tot nu toe ja.

vrijdag 4 december 2009

Regen

Van heel, héél hoog in de lucht worden nu liters water
kapot gesmeten tegen huizen, mensen, de straat.

vrijdag 27 november 2009

School

ik zit hier in de klas en ik staar nu in het niets
straks weer naar de metro naar de trein en op de fiets
dan regenval dan zonneschijn
dan vervelend dan weer fijn
niet te hard typen, dan hoort hij mij
´k heb net al meegedaan, geluisterd naar wat hij zei

straks dus weer naar huis, eten en naar bed
dan een lange schooldag,
dan een dag vol pret.

woensdag 25 november 2009

Natuur

De bladeren fluisteren het
De wind schreeuwt het soms om je oren
De horizon probeert het je schilderend duidelijk te maken
Je leeft.

Het water omsluit je als een tweede huid
wanneer je zwemmen gaat
De lucht kan een verstikkende deken zijn
wanneer je problemen hebt

De zon kan je warm wrijven
of een waarschuwende prik geven

De schaduw kan je doen rillen
of je uitnodigen te gaan slapen

En jijzelf?
Zonder jou was dat er allemaal niet

Verloren

Ik ruimde laatst mijn boekenkast op.
Ik gooide dingen weg, vond dingen terug die ik lang niet meer gezien had en zette ze vooraan in de kast. Die dingen was ik alweer vergeten, ze zijn ook al vrij oud.
Dan vraag ik mij weleens af, waar al die andere verloren dingen gebleven zijn.
In veel jaren ben ik waarschijnlijk heel veel kwijtgeraakt, dat overkomt iedereen, je oude speelgoed dat je níet hebt weggegooid verdwijnt, alsof het oplost, en komt nooit meer terug.
Heb je het verkocht? Nee. Heb je het naar iets/iemand meegenomen en ben je het vergeten? Nee. Waar was het voor het laatst? In je kamer. En zo zijn er nog veel meer vergeten en verloren dingen. Ik weet niet meer wát ik mis, ik weet alleen dat het er niet meer is.
En dat mis ik.

donderdag 19 november 2009

Kou

Kou

‘Tom! Tom wordt wakker!’ ‘Tom er ligt overal sneeuw!’. Met kleine ogen kijkt Tom zijn jongere broertje aan. Hij is al helemaal klaar, aangekleed en wel. Wandjes aan, muts op, sjaal om, rits dicht. Tom geeuwt en draaide zich nog een keer om. ‘Kom op Tom, er ligt nooit sneeuw hier! En ijs! Al een paar dagen, we kunnen erop! Buurman Alfred is erop geweest met zijn neef! Dan kunnen wij ook! Toe, Tom schiet op!’. Tom zucht en slaat de dekens van zich af. Hij weet dat er geen ontkomen aan is,er was al geen ontkomen meer aan toen Nick de gordijnen opengooide om te kijken of er sneeuw lag- een tafereel dat begon in November en aanhield tot de 1e lentedag- en zag dat buurman Alfred met schaatsen onder zijn arm de hoek om liep. En Nick had gelijk, het sneeuwde haast nooit meer. Tom slingert zijn lange benen over de rand van het bed en hijst zich in zijn spijkerbroek, die vol gaten en rafels zit maar de enige is die niet in de wasmand ligt. ‘Jottem Jottem Jottem!’ Nick klapt in zijn handen, die een roffelend, gedempt en dof geluid laten horen bij het botsen van de wanten. Hij holt naar beneden om het goede nieuws aan zijn moeder- die Nick misschien wel aanspoorde om zijn broer uit bed te jagen- te vertellen. Een douche vind Tom wat overdreven, gezien het weer zo koud was dat het elke slaapwandelaar wakker zou schudden. Uit de kast kiest hij een beige coltrui en zijn witte Nike-pet. Met een slaaphoofd dat beseft dat het na het openen van de voordeur verdwijnt loopt hij naar beneden om zijn jas en schoenen aan te trekken. ‘Klaar?’ Nick staat bij de voordeur en houd de klink al vast. Hiervoor moet hij zijn arm volledig strekken en het doet zijn trui omhoog kruipen, waardoor zijn bleke navel te zien is. ‘Wacht even’. Tom trekt de trui van Nick naar beneden en frommelt het in zijn broek. ‘Anders ben je straks helemaal koud’.

De sneeuw kraakt onder hun voeten als zij de smalle weg oversteken. Tom kijkt naar zijn kleinere broertje, met zijn muts op en zijn sjaal losjes om zijn hals. De bolle wangen, roodgekleurd door de kou, doen Tom denken aan de dag van Nick ’s geboorte, de dag waarop zijn wangen net zo rood hadden gekleurd als nu. Hij kijkt omhoog, ver boven hem vliegen twee meeuwen achter elkaar aan, schijnbaar niets merkend aan de kou. ‘Vangen!’ De koude klap in zijn nek doet Tom opschrikken, geïrriteerd veegt hij de sneeuw uit zijn nek. Koude, half gesmolten sneeuw druipt langs zijn rug naar beneden en doet hem rillen. ‘Wil je misschien niet..’ Een tweede sneeuwbal suist langs zijn been. Nick is niet te houden en gooit giechelend sneeuwbal na sneeuwbal. Tom kan zijn grijns niet onderdrukken en rent op zijn broertje af. Nick schreeuwt van plezier en rent het ijs op, tussen twee oudere mannen door die aan de kant hun versleten schaatsen aantrekken. Met een verontschuldigende glimlach naar de mannen springt Tom achter Nick aan, het ijs op. Nick raapt wat sneeuw van het ijs en begint het tot een bal te kneden. Tom doet hetzelfde en gooit de bal richting zijn broertje. ‘Je hebt me gemist! Je hebt me gemist!’ Nick grijnst en kijkt naar de grote sneeuwbal, die achter hem wegrolt en patronen in de sneeuw tekent. ‘Zo één kan ik echt niet maken! Ik pak hem wel, dan maak ik hem nóg groter!’ Tom knipoogt en loopt naar de kant om op zijn broertje te wachten. Het is vrij rustig op het ijs. Buurman Alfred loopt wat onwennig in het rond, de twee oudere mannen schaatsen zelfverzekerd naar de overkant en een nog jonge vrouw trekt haar dochtertje op de slee achter zich aan. Nog niet zo lang geleden leek het, toen Tom zelf op een slee zat. Zijn moeder trok hem dan ook voort, hijgend maar toch enthousiast. Na die keer had het nooit meer gevroren- tot nu. Een afgrijselijk gekraak doet Tom opschrikken uit zijn gedachten. Nee. Op de plaats waar zijn sneeuwbal gelegen had, waar Nick zo enthousiast op af gehold was, was nu een groot klotsend gat te zien. Nick is weg. Paniek grijpt om Tom ’s hart. Hij staat op, roept om hulp maar realiseert zich dat de oude mannen te ver weg zijn. ‘Buurman! Buurman!’ ‘Mevrouw!’ Tranen van paniek vullen zijn ogen als hij het wak bereikt. Hij zakt voorzichtig op zijn knieën en hoort het ijs kraken. In het gat is niets meer dan een donkere, zwarte duisternis. Tom duwt zijn armen het water in en voelt de kou in zijn botten trekken. Dit is niet goed. Hij moet Nick er snel uithalen. Dit water is veel te koud. Dieper nu. Het ijs kraakt nog meer, maar geeft Tom nog kans. ‘Nick! Nick!’ Dan kraakt het ijs voor de laatste keer. Tom voelt de kou zich om zijn lichaam sluiten, zijn jas in, zijn sokken in. Zijn lichaam wordt één met de kou. Al houdt hij de ogen open, er is onder water niets te zien. Tom probeert weer boven te komen maar voelt de blubber van de sloot zich vastgrijpen aan zijn voeten. Hij maait om zich heen, hopend op enig teken van zijn broertje, een teken dat hij maar niet vinden kan. Even denkt hij iets te voelen, maar op datzelfde moment voelt hij twee armen hem naar boven trekken. Lucht. Een koude wind die over zijn natte haar raast. ‘Mijn broertje! Nick ligt daar!’ De vrouw met de slee kijkt Tom niet-begrijpend aan. Haar dochtertje op de slee kijkt op veilige afstand toe. Tom wilt het water weer in maar de vrouw houdt hem vast. ‘Laat me los trut! MIJN BROERTJE! MIJN BROER!’ Een ander verschijnt in Tom’ s gezichtsveld: buurman Albert. ‘Ik zal een ladder halen’. Zijn stem klinkt onzeker en rillerig. ‘Dan is het te laat LAAT ME GAAN!’ Tom springt het water in, tast om zich heen, zoekend naar dat ene gevoel in zijn vingertoppen dat hij daarnet nog had, dat van iets zachts, als een jas. Hij kan zijn ogen niet openhouden maar het maakt geen verschil. Nick is weg. Tom voelt de kou nu in zijn buik slaan en verkrampt. Nick is weg. Weer armen die hem omhoog trekken, ditmaal van Albert. Tom wilt weer protesteren maar zijn mond kent geen gevoel meer. De buurman trekt hem samen met de vrouw de kant op en worstelt met een vergrendeling van zijn ladder. Tom rilt. ‘Ik had.. het..niet .. moeten gooien’ stamelt Tom, maar de vrouw antwoordt niet. Tranen vullen Tom’ s ogen, lopen over zijn wangen en vallen neer. Ze worden één met het ijs op de sloot. Nog nooit was het zo koud geweest.

Verzinnen

Ik loop over straat.
-Nu nog even bedenken, waar dit gedicht verder over gaat-
Mensen spugen op de grond, vloeken of staan te roken
Hier, in dit huis links, heeft een gezin ondergedoken
Ik doe mijn ogen dicht.
-Ja, zo moet het verder gaan, mijn zoveelste gedicht.-
Iemand vroeg me nog, wanneer zet je 'r weer wat op?
-Is deze regel niet te lang? Nog een paar woorden en dan..
stop.

woensdag 11 november 2009

Elf November...

Ik luister naar de verre kinderstemmetjes.
Het lijken er duizenden.
Ze vullen de nacht
met gezang
en met licht
en met lampionnen.
De zoete smaak van snoep
Een herinnering
Een lach.

vrijdag 6 november 2009

Weduwnaar

De man ligt in bed.
Hij is oud.
Zijn vrouw ligt niet naast hem.
Niet meer.
De plek die ooit de hare was, is al jaren koud.
Hij rolt er soms even heen,
zachtjes. Om het warm te houden.
Maar niet te lang
-het is haar plekje.

Zijn ogen zijn nat,
lijken elke dag vochtiger te worden.
Men kijkt hem soms aan, wacht tot hij knippert,
verwacht dan een traan.

Maar zijn tranen zijn op.
Behalve 's nachts.
Dan is hij alleen.

donderdag 5 november 2009

What's this about

...Gevonden in mijn profielwerkstuk van vorig jaar:


Gebouwen tot de hemel zo hoog

Nu weet ik dat het waar is, niemand die loog

Deze stad is mooi, ontroerend en adorabel

Dit is de wereld, het nieuwe Babel

Bas Geerling, 2008

Moeite doen is niet nodig

Ik schrijf geschiedenis.

woensdag 4 november 2009

Mooie start

Poëzie-analyse?
3,8!

Voorbereidend Werplek Leren?
5!



Gaat lekker =D
Baal als een stekker
voor jan lul zette ik mijn wekker
werkte ik aan de toets, leerde ik vol ijver
En nu, 't resultaat: een mooi laag cijfer.


Ach.
Herkansen!

maandag 2 november 2009

Stad

Ik heb mij zo zitten vergapen,
da'k er nu niet van kan slapen.
Heel lang heb ik zitten turen,
naar foto's van die mengelmoes der culturen.
Een stad, bestaande uit gebouwen,
een stad, waarvan ik ben gaan houden.
Dit was liefde op 't eerste gezicht,
'K zat achterin een taxi, keek naar al dat licht.
Tussen al dat grijs daar, een lange strook groen,
het is aangelegd ja, maar meer dan een plantsoen.
Luid getoeter, geloei van een politiewagen,
zal ik dit vers nog lang meedragen?
Want op de dag, dat 'k daar weer ben,
verkondig ik, als grootste fan,
dat ik weer ben aangekomen
de stad mij weer heeft aangenomen.
Dan werp ik dit gedicht van 't hoogst gebouw
tot iemand hem leest, de inkt zo blauw.
Hoop'lijk zal die denken: 'Well that is pretty!'
Ik ben nooit weggeweest,
mijn New York City.

zaterdag 31 oktober 2009

Sollicitatie

Ik zweet.
Mijn benen voelen lam.
Tegenover mij een man,
die mij maken of breken kan.
Het gezicht staat streng, zijn stropdas stijf
Mijn colbertje geeft geen adem aan mijn zwetend lijf.

De handen gevouwen, een zucht uit zijn mond
Mijn knokkels wit, mijn ogen rond.

Dan stelt hij mij een vraag,
Ik weet dit is belangrijk -ik wil die baan zo graag!-
Dan net op het moment dat'k klaar ben met naar het juiste antwoord grissen,
komt dit gevoel naar boven, God nee, het kan niet missen.
Ik heb nog nooit zó moeten pissen.

Mijn tong krult om, mijn knoop zit strak
Een blaas die gilt naar vrijheid, verstopt onder mijn pak.

Snel geef ik antwoord, mijn zweet begint te stomen,
de man glimlacht, geeft een hand: ik ben dus aangenomen
Ik glimlach dan flauw: ik heb alles laten stromen.




Ik ben er nog niet van bekomen.

donderdag 29 oktober 2009

Waarheid

De meeuwen dalen,
landen niet.
De levens zwijgen
van verdriet.
Dat geen enkel leven
waarheid ziet.

maandag 26 oktober 2009

Ijs

Plompt verdwijn ik, zak door het ijs
waan mij al in't Paradijs
mijn tas al ingepakt voor de reis

Dan, als in een film
een hand
brengt mij terug in 't land
waar ik nu nog steeds verpand.

Dat schijn-paradijs
waarin ik mij bevond
was niet wit te noemen, niet plat of rond
het was geen schemering,
wel kou en ijs
niet zwart- of wit, niet rood of grijs

Hoe moet ik het beschrijven?
'k was in levende lijve
nou, levend, kon ik dat wel zijn?
Want het Paradijs was daar
werk'lijkheid of schijn.


Vandaag

Bugsy jankt omdat hij niet bij een snoepje kan, dat in een pakje op het bijzettafeltje ligt.
De wind jankt met hem mee
de regen ook.

Ik moet leren
want morgen heb ik een toets: proza- en poëzie analyse. Ja, de wereld zal vergaan
als ik niet weet wat een jambe is, of een distichon.
Of als ik niet weet wat de achterliggende gedachte is van het gedicht
die gedachte weetjewel,
die diepere betekenis
datgene wat de schrijver van het gedicht niet eens in zijn hoofd had toen hij het opschreef.

Ga dit maar eens analyseren.

Je schiet er geen fuck mee op.

vrijdag 23 oktober 2009

Slaap

Alleen de computer ronkt.
Voor de rest stilte, naast het snurken van de hond.
En naast het typen, het razen van mijn vingers over het toetsenbord. Rikketikketikketik.
Een haastig geluid, dat niet past bij de orde van de nacht.
Is er wel stilte vannacht?
Het klappen van de vogels' hun vleugels,
het schreeuwen van een klamme kat,
het toeteren van een vermoeide chauffeur
het schreeuwen van een man -hij is zat-
het ruziën van een getrouwd stel -het is de sleur-

Laat ik deel uit gaan maken van de stilte,
de stilte die alleen in dromen voorkomt
in slaap
en, ik kan er niet aan ontkomen dit te noemen: in de dood.

Ik ga zo slapen.
Morgen noteer ik weer mijn droom.
Eerst slapen, anders komt die domkop weer niet.
Stilte?
Rust.

maandag 19 oktober 2009

Winter

De winter komt eraan.
'k voel het in de ochtend,
ik zie het door m'n raam

Bladeren verkleurd, de wind die langs je oren zeurt,
je nek verdwenen tussen shawl en schouders,
nu geen cola'tje - een kop thee met m'n ouders

Mensen met rode wangen van vorst,
Hardlopen nu twee keer zo lang zonder dorst

De winter komt eraan

Hij lijkt kouder , de maan.

Deze springt meer in het oog dan de verlegen zon,
laat een ijslaagje achter op die stomme parkeersbon
Wanneer was de dag, dat de winter langzaamaan begon?



Z

Zoals Zigeuners zoeken naar zeugen in Zwitserland, zo zal Stephen zijn zoon zien zondigen op zondag.
Met blijde of boze boodschappen, berichten. Behendige boeren die dat brullende beest willen breken, willen boren, willen steken.
Stephen zal triomfantelijk lachen, 
de zeugen gevonden
de zigeneurs die het konden
dat allemaal niet in Zwitserland
maar in Londen

Like a candle in the wind

Er stond een hele mooie kaars op de tafel.
Groot, rond, ze oogde warm.
Toen, als een wonder, was er een vlammetje.

Het vlammetje was warm, fijn, gaf een gezellig licht.
Je kon je er niet aan branden
en het flikkerde nooit.




Na een hele lange tijd gebeurde er iets: het vlammetje bewoog.
Het ging van links
naar rechts
Het leek onzeker te zijn geworden, bang.

Had iemand een deur opengezet?

Een raam?


Het vlammetje werd kleiner

kleiner

kleiner


Tot er nog één gloeiend pitje te zien was.

Nee, hij was niet uit: dan zou er rook vanaf komen,
en stank.

De kaars staat er nog, vervormd, niet meer de kaars zoals ik hem voor het eerst zag.
Het kaarsvet omarmd de kaarsenhouder nog.

Haar zoete geur nog in de kamer.

Het pitje gloeit nog.


Zal hij weer gaan vlammen?
Zoals eerst?

donderdag 15 oktober 2009

Onbegrip

Een tijdje heb ik getwijfeld, of ik het wel weer zou doen;
Mijn hoofd min of meer kaalscheren.
Toch gedaan, en ik vond het eerlijk gezegd beter staan dan een paar jaar terug.

Voor de opleiding Nederlands die ik volg, moet ik jeugdliteratuur lezen.
Dit is geweldig, want jeugdliteratuur leest ontzettend makkelijk. Daarnaast hoefde het niet allemaal van Nederlandse schrijvers te zijn. Waar ga ik heen als ik snel een paar boeken moet halen?
De Bieb.

Even snel, mijn lijst mee, om vanmiddag meteen te beginnen. Ik stap naar binnen en kijk de grote ruimte in. Een stoffige vrouw kijkt vriendelijk op en ik zeg hallo. Met de van mijn lerares ontvangen literatuurlijst loop ik langs de kasten, zoekend naar een boek dat in de lijst voorkomt.
Na een tijdje zoeken besluit ik het via de computer te doen. De boeken die ik als 'leuk' had aangevinkt zijn helaas uitgeleend. Misschien maar even aan zo'n aardige mevrouw vragen.

De vrouw wilt me helpen en kijkt met een moederlijke glimlach naar mijn lijst met kinderboeken wanneer ik uitleg dat ik een paar ervan moet lezen van mijn lerares. 'Ben je niet zo'n lezer?' vraagt ze met diezelfde glimlach op haar gezicht. Ik ga het even uitleggen. 'Ik volg een lerarenopleiding Nederlands, dus ik moet jeugdboeken lezen.'
'Aahh' zegt de vrouw en streelt met haar vinger langs de ruggen van de stoffige boeken. 'Dit is er ééntje, dit is ook niet zo'n dikke pil'. Ze haalt één van de dunste boekjes uit het rek en houd het triomfantelijk voor mijn neus. 'Ik vind lezen leuk hoor, het maakt me niet uit hoe dik ze zijn' glimlach ik terug, en ik denk aan de tien-delige serie van Robert Jordan die ik momenteel aan het lezen ben. Van de serie telt elk boek ongeveer 800 pagina's.
De vrouw schijnt niets anders te kunnen vinden en besluit op kalme tred naar de computer te lopen. 'Eens even kijken wat je hebt aangevinkt...' Ik probeer de vrouw uit te leggen dat ik dit allemaal al gedaan heb, dat ik de titels en auteurs heb ingetikt met twee keer de snelheid als waarmee zij het doet, het helpt helaas niet. Ze besluit een andere fervente boekendeskundige erbij te halen, een vrouw van het zelfde (ge)slacht. Ze is bereid te helpen en tovert eenzelfde moederlijke glimlach tevoorschijn bij het bekijken van mijn literatuurlijst. Ik vertel haar meteen eventjes dat ik de opleiding leraar Nederlands volg, wanneer zij enthousiast voor me begint te zoeken.

Na een tijdje haalt ze een boek uit de kast en mompelt dat deze wel eens geschikt zou kunnen zijn 'deze is immers niet zo heel moeilijk om te lezen'. Ik staar de vrouw aan. Zou ze altijd die lach op haar gezicht hebben? Is het vriendelijkheid of is het een verstarde grijns die ze de toiletpot ook toewerpt als ze de wc doortrekt? Krijg je als bibliothecaresse een examen in glimlachen en niet luisteren? Ik weet het niet, duidelijk is in ieder geval dat ze me niet begrijpt. 'Waar komt het door?' Denk ik dan, 'Zal het mijn kaalgeschoren hoofd zijn? Zien ze me aan voor een onderontwikkelde gabber die zijn eerste boeken gaat halen op advies van zijn docente?'
Ik neem afscheid van de twee vrouwen en spreek mijn hoop uit dat de volgende keer de gewenste boeken er wél zijn. De vrouw kijkt nu ernstig en zegt dat ik eventueel naar de website zou kunnen gaan om te kijken of ze zijn uitgeleend. 'Heb je een computer?' Nu ben ík degene die glimlacht. Een krampachtige uiting van puur ongeloof. Bijna vraag ik de vrouw iemand aan te wijzen in de bibliotheek die géén computer heeft. Maar ik doe het niet. 'Ben je een beetje handig met computers?' Vraagt ze onwetend om de druk nog wat op te voeren. 'Je kunt naar weewee- wee punt..' Ik maak haar zin af met op mijn gezicht een nu volledig geacteerde vriendelijkheid en ik hoop dat ze het trillende spiertje boven mijn oog en het rood in mijn nek niet opmerkt. Ik vertel de vrouw dat ik vaker boeken online verlengd heb.

Uiteindelijk verlaat ik de Bieb met twee boeken die me min of meer aanspreken.

Het geschreeuw van mijn brommer overstemt hun gedachten als ik wegrijd en beiden gedag heb gezegd. Ik vang alleen die laatste zinnen op : 'Daar gaat die jongen, wie weet zal hij lezen leuk gaan vinden en een niveautje hoger gaan.'

Volgende week donderdag moeten de boeken terug.


Cape

Wind waait om mijn oren.
Ik sta op een enorme rots, grijs en hoekig.
Hij is zo hoog dat ik nog nét niet met mijn hoofd in de wolken loop.
Dat wil zeggen, letterlijk. In de figuurlijke zin loop ik wél met mijn hoofd in de wolken.
Mijn cape wappert en slaat als een waanzinnige om zich heen.
Hij lijkt wild te roepen: laat me los, ik wil niet aan je vastzitten, ik wapper alleen!
Ik wil alleen wapperen! Zonder jou!
Mijn mondhoeken krullen omhoog en nemen aarzelend de tranen op die mijn wangen hebben bestreken.

Het dorpje onder mij lijkt vredig, stil. Ergens in dat huis zal een vrouw wel warme koeken aan het bakken zijn. De lucht zal de kinderen in de buurt wel lokken.

Mijn vingers klemmen zich om de knoop van mijn cape, die nog wappert en slaat, maar niet naar mij. Hij slaat ook niet naar de vrijheid, hij wíl juist vrij zijn. Hij is zo wanhopig naar vrijheid op zoek dat hij het wil omarmen, en dat uit zich nu in wilde slagen.
Mijn handen scheiden de lussen van elkaar, houden ze nog even vast,
laten ze dan los.
Daar gaat de cape, vrij en vrolijk, sierlijk en elegant.

Dan lijkt er paniek uit te breken. De cape vliegt over het dorp, nog steeds wapperend. Hij kan niet vliegen. Hij zal ter aarde storten en zijn nek breken.


Ik huil
Ik lach




Ik spring

woensdag 14 oktober 2009

Tekst

Het witte scherm zijn lampjes
duizenden en duizenden.
Ze schijnen in mijn ogen,
die de verandering waarnemen.
Wit wordt zwart, andere delen
blijven onbenoemd.

Een voetstap in de sneeuw,
spikkels in de slagroom

Gewoon woorden.

Alleen

Wanneer ben ik alleen?

Als de wekker mij wekt,
zijn dagelijkse plicht daarmij reeds heeft gedaan,
mij eraan herinnerend, dat ik op moet staan?

Of is het pas beneden, bij het koffie-apparaat?
Nu zo verschrikkelijk luidruchtig,
terwijl het mij overdag nooit baat?

Ben ik alleen als ik de deur achter mij sluit,
mijn stappen tel, mijn liedje fluit?

Misschien ben ik wel nooit alleen,
want ik kom uit een vol huis
en zelfs eenzaamheid wordt vergezeld met ruis.

Is eenzaamheid wel alleen zijn?
Is het aanwezig bij zorg, bij tranen, bij pijn?

Het antwoord moet ik kunnen vinden,
want de vraag zelf zal mij waarachtig verblinden,
als ik niet oppas, in een val stap, geopend door een onvoorzichtige stap van mijn been
Dan,
alleen dan,

ben ik écht alleen.

Kater

Hoofdpijn tot op het bot,
'k heb mij gedragen als een zot,
om mij lachte iedereen zich rot
Mijn reputatie is kapot.

Wie 't weet, heeft het gezien
-of gehoord, dat kan natuurlijk
ook, het gevoel van schaamte
is niet weg te slapen
niet weg te drinken
of te vergapen

De spiegel vertelt mij:
dit is niet goed
de troep nog in mijn
aderen, in mijn bloed.

Nee, vandaag voel ik mij niet zo goed.

maandag 12 oktober 2009

Kleine

Als jij naar mij kijkt

En ik naar jou

Zie ik mezelf.

Je speelt, rent en juicht

Als ik.

En je lach ook.

Het vreemde is,

Jij gaat dit ook zien

Jij gaat dit meemaken.

Dan zal het jouw kleine zijn

Ik ben dan weg

Zoals mijn vader dat nu is

Je kind zal het nog niet snappen.

Maar het komt wel.

Wijzen

Als ik kijk naar de straat
weet 'k niet waar 't over gaat
Patronen en kringen, alles is grijs
Drie mannen gehurkt, allen wijs
De één kijkt naar de ander,
De ander kijkt naar mij
De derde naar de ander,
'vluchten zul je, jij'.

Dan vlieg ik over toppen En spring ik over blauw Ik zweet, word wanhopig Ben op zoek naar jou.

Waar zul je zijn, zal jij het snappen? Zal’k vleugels verliezen, de straat op klappen? Tussen patronen en cirkels, mij vermengen met het grijs Zal ik rennen, zitten slapen, of schaatsen over ijs?

Zal je daar op mij wachten? Je armen gespreid, Mijn eigen ik omhelzend, je geur die ik benijd.

De wijze mannen zullen wijzen, Zien hoe wij vallen.

Daar op de straat.

dinsdag 29 september 2009

Het bed

Een tijd geleden (2 jaar misschien al?) luisterde ik naar de radio.
Wie de sprekers waren weet ik niet meer, waar het over ging ook niet, maar één ding is me bijgebleven; op het einde van het 'programma', vroeg de radioman of de ander nog wat te vertellen had, en die kwam met ongeveer het volgende:

Alles draait om het bed.
Hierin wordt je geboren,
hier stap je uit als de dag begint,
hier stap je in na een vermoeiende, leuke, spannende dag,
hier pieker je over het leven, over liefde,
hier bedrijf je de liefde,
hier huil je,
hier lach je,
hier sterf je.

donderdag 24 september 2009

Nu

Nu:
Op dit moment, terwijl ik vermoeid naar het schermpje van mijn Notebook zit te staren, draait iemand zich om in zijn bed, slaakt een zucht.
Op dit moment, terwijl ik besluit om zo mijn tanden te gaan poetsen, te gaan douchen en te gaan slapen, word er iemand vermoord.
Op dit moment lopen er een jongen en een meisje over een strand, de lucht is donker en de sterren zijn duidelijk te zien. De jongen vindt haar leuk en is van plan dat haar heel duidelijk te gaan maken. Het meisje kijkt naar de sterrenhemel en denkt: op dit moment zit er iemand in zijn eentje, in een kamer, op zijn Notebook te tikken.
Dag meisje.

zondag 20 september 2009

Uitgaan en Afgaan

Het is een uur of 12 s' nachts en ik sta in de momenteel populairste club van Zaandam:
de Minq. Hier komen stelletjes, singles, hetero's en homo's .
Iemand van die laatste categorie had het er schijnbaar erg naar zijn zin en danste met uitbundige zwaai-en draaibewegingen. Helaas voor de man naast de danser: een vrij dikke man stond een beetje tegen de bar geleund met een biertje in zijn hand. De zwierige zwaai van de danser klapte al het bier uit de man zijn glas. De danser wist niet hoe gauw hij zijn verontschuldigingen moest aanbieden aan de dikke man, die ietwat beschaamd om zich heen leek te kijken omdat hij met deze man sprak, geïrriteerd omdat hij zijn bier kwijt was. De danser betaalde echter een nieuwe voor hem. De dikke man verliet vrij snel daarna de club.
De danser zwierde en zwaaide weer, dit keer zonder af te gaan.

zaterdag 19 september 2009

Geert Wilders

Ik sta naast de Dirk van den Broek in Zaandam,
ik kom zojuist van de Action (ik zocht een multomap) en wil mijn brommer weer pakken.
Een Turkse of Marokkaanse mevrouw rijdt in een BMW langzaam langs mij en mijn brommer, die nog aan de ketting staat. Mijn helm zit aan mijn ketting vast en ik schuif hem met mijn voet opzij, zodat ze er niet overheen rijdt.

Eenmaal op mijn brommer, de helm op, komt er een echtpaar aan. De man is kalend en heeft een sigarettenpeuk uit zijn mondhoek hangen. Zijn dochtertje kijkt ondeugend om haar heen en zijn vrouw wiegt haar kleine witte hondje met een glimlach heen en weer zoals ze haar dochter nog nooit gewiegd heeft.
'En gewoon door rijden he, stomme Hassan' mompelt de man tegen zijn vrouw (Hij kan niet praten, zijn nog niet aangestoken sigaret belemmerd hem daarin) over de Turkse vrouw in de BMW. Wat ze bij hem fout gedaan heeft weet ik niet, maar schijnbaar merkt hij dat ik hem hoor.
'Geert Wilders..' Mompelt hij verder, zijn sigaret beweegt op dezelfde maat als zijn adamsappel.
'De beste die er is.' Zijn dochtertje kijkt licht vragend naar hem op. De vrouw glimlacht nog steeds.
Een oordeel wordt snel gemaakt.

vrijdag 18 september 2009

Uitlaten

Ik ben alleen thuis.
Reclameberichten vullen de huiskamer, verjagen de stilte.
Ik moet Bugsy, mijn kleine Jack Russel maar even uitlaten.
Heb ik ook wat te doen.

Dat ik zoveel Blogs op één avond schrijf, geeft al aan hoe verveeld ik ben.
Of moet ik juist dingen kwijt? Schreeuwt er iets in mijn lichaam dat er uit wil? En wil ik dat er wel uit laten?

Eerst Bugsy maar uitlaten.

(On)mogelijke Liefde

Ik weet dat het niet hoort,
ik denk dat het niet kan.

Maar je hebt me.

De afstand is klein
en verschrikkelijk groot,

Maar je hebt me.

Misschien zul je het nooit weten,
ik hoop van niet
ik hoop van wel!

Heb ik jou?

donderdag 17 september 2009

Toekomst en Verleden

De trein snelt door de ochtend
krekels springen verschrikt op
eenden zwemmen hun dagelijks rondje
Een oude man kijkt door het smerige raam van de trein.
Zijn handen trillen.
Door het smeersel van een kapotte vlieg en de krassen op het raam,
kijkt hij naar toekomst en verleden.
Eerst schiet het uitvaartcentrum voorbij,
studenten lopen met kleine ogen langs het grauwe gebouw,
ze kijken niet naar het uitvaartcentrum.
Ze denken aan hun portfolio, aan studiepunten, hun liefde, aan koffie.
Dan schiet het Mediacollege voorbij, hun bestemming.
Toekomst en verleden voor de oude man
Toekomst en een latere toekomst voor de studenten,

een verschil van jaren
op twee gebouwen afstand van elkaar.

maandag 14 september 2009

Oma

Mijn hoofd wordt koud, mijn ogen rood,
ik voel en proef en zie de dood,
snijdende snikken en tranen zo warm,
de één sterft rijk, de ander arm.
Zo verlaat het leven mij,
maar ergens ben ik toch ook blij,
want waar ik heenga,
daar ben jij.