donderdag 19 november 2009

Kou

Kou

‘Tom! Tom wordt wakker!’ ‘Tom er ligt overal sneeuw!’. Met kleine ogen kijkt Tom zijn jongere broertje aan. Hij is al helemaal klaar, aangekleed en wel. Wandjes aan, muts op, sjaal om, rits dicht. Tom geeuwt en draaide zich nog een keer om. ‘Kom op Tom, er ligt nooit sneeuw hier! En ijs! Al een paar dagen, we kunnen erop! Buurman Alfred is erop geweest met zijn neef! Dan kunnen wij ook! Toe, Tom schiet op!’. Tom zucht en slaat de dekens van zich af. Hij weet dat er geen ontkomen aan is,er was al geen ontkomen meer aan toen Nick de gordijnen opengooide om te kijken of er sneeuw lag- een tafereel dat begon in November en aanhield tot de 1e lentedag- en zag dat buurman Alfred met schaatsen onder zijn arm de hoek om liep. En Nick had gelijk, het sneeuwde haast nooit meer. Tom slingert zijn lange benen over de rand van het bed en hijst zich in zijn spijkerbroek, die vol gaten en rafels zit maar de enige is die niet in de wasmand ligt. ‘Jottem Jottem Jottem!’ Nick klapt in zijn handen, die een roffelend, gedempt en dof geluid laten horen bij het botsen van de wanten. Hij holt naar beneden om het goede nieuws aan zijn moeder- die Nick misschien wel aanspoorde om zijn broer uit bed te jagen- te vertellen. Een douche vind Tom wat overdreven, gezien het weer zo koud was dat het elke slaapwandelaar wakker zou schudden. Uit de kast kiest hij een beige coltrui en zijn witte Nike-pet. Met een slaaphoofd dat beseft dat het na het openen van de voordeur verdwijnt loopt hij naar beneden om zijn jas en schoenen aan te trekken. ‘Klaar?’ Nick staat bij de voordeur en houd de klink al vast. Hiervoor moet hij zijn arm volledig strekken en het doet zijn trui omhoog kruipen, waardoor zijn bleke navel te zien is. ‘Wacht even’. Tom trekt de trui van Nick naar beneden en frommelt het in zijn broek. ‘Anders ben je straks helemaal koud’.

De sneeuw kraakt onder hun voeten als zij de smalle weg oversteken. Tom kijkt naar zijn kleinere broertje, met zijn muts op en zijn sjaal losjes om zijn hals. De bolle wangen, roodgekleurd door de kou, doen Tom denken aan de dag van Nick ’s geboorte, de dag waarop zijn wangen net zo rood hadden gekleurd als nu. Hij kijkt omhoog, ver boven hem vliegen twee meeuwen achter elkaar aan, schijnbaar niets merkend aan de kou. ‘Vangen!’ De koude klap in zijn nek doet Tom opschrikken, geïrriteerd veegt hij de sneeuw uit zijn nek. Koude, half gesmolten sneeuw druipt langs zijn rug naar beneden en doet hem rillen. ‘Wil je misschien niet..’ Een tweede sneeuwbal suist langs zijn been. Nick is niet te houden en gooit giechelend sneeuwbal na sneeuwbal. Tom kan zijn grijns niet onderdrukken en rent op zijn broertje af. Nick schreeuwt van plezier en rent het ijs op, tussen twee oudere mannen door die aan de kant hun versleten schaatsen aantrekken. Met een verontschuldigende glimlach naar de mannen springt Tom achter Nick aan, het ijs op. Nick raapt wat sneeuw van het ijs en begint het tot een bal te kneden. Tom doet hetzelfde en gooit de bal richting zijn broertje. ‘Je hebt me gemist! Je hebt me gemist!’ Nick grijnst en kijkt naar de grote sneeuwbal, die achter hem wegrolt en patronen in de sneeuw tekent. ‘Zo één kan ik echt niet maken! Ik pak hem wel, dan maak ik hem nóg groter!’ Tom knipoogt en loopt naar de kant om op zijn broertje te wachten. Het is vrij rustig op het ijs. Buurman Alfred loopt wat onwennig in het rond, de twee oudere mannen schaatsen zelfverzekerd naar de overkant en een nog jonge vrouw trekt haar dochtertje op de slee achter zich aan. Nog niet zo lang geleden leek het, toen Tom zelf op een slee zat. Zijn moeder trok hem dan ook voort, hijgend maar toch enthousiast. Na die keer had het nooit meer gevroren- tot nu. Een afgrijselijk gekraak doet Tom opschrikken uit zijn gedachten. Nee. Op de plaats waar zijn sneeuwbal gelegen had, waar Nick zo enthousiast op af gehold was, was nu een groot klotsend gat te zien. Nick is weg. Paniek grijpt om Tom ’s hart. Hij staat op, roept om hulp maar realiseert zich dat de oude mannen te ver weg zijn. ‘Buurman! Buurman!’ ‘Mevrouw!’ Tranen van paniek vullen zijn ogen als hij het wak bereikt. Hij zakt voorzichtig op zijn knieën en hoort het ijs kraken. In het gat is niets meer dan een donkere, zwarte duisternis. Tom duwt zijn armen het water in en voelt de kou in zijn botten trekken. Dit is niet goed. Hij moet Nick er snel uithalen. Dit water is veel te koud. Dieper nu. Het ijs kraakt nog meer, maar geeft Tom nog kans. ‘Nick! Nick!’ Dan kraakt het ijs voor de laatste keer. Tom voelt de kou zich om zijn lichaam sluiten, zijn jas in, zijn sokken in. Zijn lichaam wordt één met de kou. Al houdt hij de ogen open, er is onder water niets te zien. Tom probeert weer boven te komen maar voelt de blubber van de sloot zich vastgrijpen aan zijn voeten. Hij maait om zich heen, hopend op enig teken van zijn broertje, een teken dat hij maar niet vinden kan. Even denkt hij iets te voelen, maar op datzelfde moment voelt hij twee armen hem naar boven trekken. Lucht. Een koude wind die over zijn natte haar raast. ‘Mijn broertje! Nick ligt daar!’ De vrouw met de slee kijkt Tom niet-begrijpend aan. Haar dochtertje op de slee kijkt op veilige afstand toe. Tom wilt het water weer in maar de vrouw houdt hem vast. ‘Laat me los trut! MIJN BROERTJE! MIJN BROER!’ Een ander verschijnt in Tom’ s gezichtsveld: buurman Albert. ‘Ik zal een ladder halen’. Zijn stem klinkt onzeker en rillerig. ‘Dan is het te laat LAAT ME GAAN!’ Tom springt het water in, tast om zich heen, zoekend naar dat ene gevoel in zijn vingertoppen dat hij daarnet nog had, dat van iets zachts, als een jas. Hij kan zijn ogen niet openhouden maar het maakt geen verschil. Nick is weg. Tom voelt de kou nu in zijn buik slaan en verkrampt. Nick is weg. Weer armen die hem omhoog trekken, ditmaal van Albert. Tom wilt weer protesteren maar zijn mond kent geen gevoel meer. De buurman trekt hem samen met de vrouw de kant op en worstelt met een vergrendeling van zijn ladder. Tom rilt. ‘Ik had.. het..niet .. moeten gooien’ stamelt Tom, maar de vrouw antwoordt niet. Tranen vullen Tom’ s ogen, lopen over zijn wangen en vallen neer. Ze worden één met het ijs op de sloot. Nog nooit was het zo koud geweest.

2 opmerkingen:

  1. Indrukwekkend. Spannend.

    Daarom 'Jezus'.

    Niet omdat ik wilde dat Hij jouw hoofdpersoon zou komen redden hoor.

    *Grinnik*

    BeantwoordenVerwijderen