Ik sta op een enorme rots, grijs en hoekig.
Hij is zo hoog dat ik nog nét niet met mijn hoofd in de wolken loop.
Dat wil zeggen, letterlijk. In de figuurlijke zin loop ik wél met mijn hoofd in de wolken.
Mijn cape wappert en slaat als een waanzinnige om zich heen.
Hij lijkt wild te roepen: laat me los, ik wil niet aan je vastzitten, ik wapper alleen!
Ik wil alleen wapperen! Zonder jou!
Mijn mondhoeken krullen omhoog en nemen aarzelend de tranen op die mijn wangen hebben bestreken.
Het dorpje onder mij lijkt vredig, stil. Ergens in dat huis zal een vrouw wel warme koeken aan het bakken zijn. De lucht zal de kinderen in de buurt wel lokken.
Mijn vingers klemmen zich om de knoop van mijn cape, die nog wappert en slaat, maar niet naar mij. Hij slaat ook niet naar de vrijheid, hij wíl juist vrij zijn. Hij is zo wanhopig naar vrijheid op zoek dat hij het wil omarmen, en dat uit zich nu in wilde slagen.
Mijn handen scheiden de lussen van elkaar, houden ze nog even vast,
laten ze dan los.
Daar gaat de cape, vrij en vrolijk, sierlijk en elegant.
Dan lijkt er paniek uit te breken. De cape vliegt over het dorp, nog steeds wapperend. Hij kan niet vliegen. Hij zal ter aarde storten en zijn nek breken.
Ik huil
Ik lach
Ik spring
Geen opmerkingen:
Een reactie posten