zaterdag 31 oktober 2009

Sollicitatie

Ik zweet.
Mijn benen voelen lam.
Tegenover mij een man,
die mij maken of breken kan.
Het gezicht staat streng, zijn stropdas stijf
Mijn colbertje geeft geen adem aan mijn zwetend lijf.

De handen gevouwen, een zucht uit zijn mond
Mijn knokkels wit, mijn ogen rond.

Dan stelt hij mij een vraag,
Ik weet dit is belangrijk -ik wil die baan zo graag!-
Dan net op het moment dat'k klaar ben met naar het juiste antwoord grissen,
komt dit gevoel naar boven, God nee, het kan niet missen.
Ik heb nog nooit zó moeten pissen.

Mijn tong krult om, mijn knoop zit strak
Een blaas die gilt naar vrijheid, verstopt onder mijn pak.

Snel geef ik antwoord, mijn zweet begint te stomen,
de man glimlacht, geeft een hand: ik ben dus aangenomen
Ik glimlach dan flauw: ik heb alles laten stromen.




Ik ben er nog niet van bekomen.

donderdag 29 oktober 2009

Waarheid

De meeuwen dalen,
landen niet.
De levens zwijgen
van verdriet.
Dat geen enkel leven
waarheid ziet.

maandag 26 oktober 2009

Ijs

Plompt verdwijn ik, zak door het ijs
waan mij al in't Paradijs
mijn tas al ingepakt voor de reis

Dan, als in een film
een hand
brengt mij terug in 't land
waar ik nu nog steeds verpand.

Dat schijn-paradijs
waarin ik mij bevond
was niet wit te noemen, niet plat of rond
het was geen schemering,
wel kou en ijs
niet zwart- of wit, niet rood of grijs

Hoe moet ik het beschrijven?
'k was in levende lijve
nou, levend, kon ik dat wel zijn?
Want het Paradijs was daar
werk'lijkheid of schijn.


Vandaag

Bugsy jankt omdat hij niet bij een snoepje kan, dat in een pakje op het bijzettafeltje ligt.
De wind jankt met hem mee
de regen ook.

Ik moet leren
want morgen heb ik een toets: proza- en poëzie analyse. Ja, de wereld zal vergaan
als ik niet weet wat een jambe is, of een distichon.
Of als ik niet weet wat de achterliggende gedachte is van het gedicht
die gedachte weetjewel,
die diepere betekenis
datgene wat de schrijver van het gedicht niet eens in zijn hoofd had toen hij het opschreef.

Ga dit maar eens analyseren.

Je schiet er geen fuck mee op.

vrijdag 23 oktober 2009

Slaap

Alleen de computer ronkt.
Voor de rest stilte, naast het snurken van de hond.
En naast het typen, het razen van mijn vingers over het toetsenbord. Rikketikketikketik.
Een haastig geluid, dat niet past bij de orde van de nacht.
Is er wel stilte vannacht?
Het klappen van de vogels' hun vleugels,
het schreeuwen van een klamme kat,
het toeteren van een vermoeide chauffeur
het schreeuwen van een man -hij is zat-
het ruziën van een getrouwd stel -het is de sleur-

Laat ik deel uit gaan maken van de stilte,
de stilte die alleen in dromen voorkomt
in slaap
en, ik kan er niet aan ontkomen dit te noemen: in de dood.

Ik ga zo slapen.
Morgen noteer ik weer mijn droom.
Eerst slapen, anders komt die domkop weer niet.
Stilte?
Rust.

maandag 19 oktober 2009

Winter

De winter komt eraan.
'k voel het in de ochtend,
ik zie het door m'n raam

Bladeren verkleurd, de wind die langs je oren zeurt,
je nek verdwenen tussen shawl en schouders,
nu geen cola'tje - een kop thee met m'n ouders

Mensen met rode wangen van vorst,
Hardlopen nu twee keer zo lang zonder dorst

De winter komt eraan

Hij lijkt kouder , de maan.

Deze springt meer in het oog dan de verlegen zon,
laat een ijslaagje achter op die stomme parkeersbon
Wanneer was de dag, dat de winter langzaamaan begon?



Z

Zoals Zigeuners zoeken naar zeugen in Zwitserland, zo zal Stephen zijn zoon zien zondigen op zondag.
Met blijde of boze boodschappen, berichten. Behendige boeren die dat brullende beest willen breken, willen boren, willen steken.
Stephen zal triomfantelijk lachen, 
de zeugen gevonden
de zigeneurs die het konden
dat allemaal niet in Zwitserland
maar in Londen

Like a candle in the wind

Er stond een hele mooie kaars op de tafel.
Groot, rond, ze oogde warm.
Toen, als een wonder, was er een vlammetje.

Het vlammetje was warm, fijn, gaf een gezellig licht.
Je kon je er niet aan branden
en het flikkerde nooit.




Na een hele lange tijd gebeurde er iets: het vlammetje bewoog.
Het ging van links
naar rechts
Het leek onzeker te zijn geworden, bang.

Had iemand een deur opengezet?

Een raam?


Het vlammetje werd kleiner

kleiner

kleiner


Tot er nog één gloeiend pitje te zien was.

Nee, hij was niet uit: dan zou er rook vanaf komen,
en stank.

De kaars staat er nog, vervormd, niet meer de kaars zoals ik hem voor het eerst zag.
Het kaarsvet omarmd de kaarsenhouder nog.

Haar zoete geur nog in de kamer.

Het pitje gloeit nog.


Zal hij weer gaan vlammen?
Zoals eerst?

donderdag 15 oktober 2009

Onbegrip

Een tijdje heb ik getwijfeld, of ik het wel weer zou doen;
Mijn hoofd min of meer kaalscheren.
Toch gedaan, en ik vond het eerlijk gezegd beter staan dan een paar jaar terug.

Voor de opleiding Nederlands die ik volg, moet ik jeugdliteratuur lezen.
Dit is geweldig, want jeugdliteratuur leest ontzettend makkelijk. Daarnaast hoefde het niet allemaal van Nederlandse schrijvers te zijn. Waar ga ik heen als ik snel een paar boeken moet halen?
De Bieb.

Even snel, mijn lijst mee, om vanmiddag meteen te beginnen. Ik stap naar binnen en kijk de grote ruimte in. Een stoffige vrouw kijkt vriendelijk op en ik zeg hallo. Met de van mijn lerares ontvangen literatuurlijst loop ik langs de kasten, zoekend naar een boek dat in de lijst voorkomt.
Na een tijdje zoeken besluit ik het via de computer te doen. De boeken die ik als 'leuk' had aangevinkt zijn helaas uitgeleend. Misschien maar even aan zo'n aardige mevrouw vragen.

De vrouw wilt me helpen en kijkt met een moederlijke glimlach naar mijn lijst met kinderboeken wanneer ik uitleg dat ik een paar ervan moet lezen van mijn lerares. 'Ben je niet zo'n lezer?' vraagt ze met diezelfde glimlach op haar gezicht. Ik ga het even uitleggen. 'Ik volg een lerarenopleiding Nederlands, dus ik moet jeugdboeken lezen.'
'Aahh' zegt de vrouw en streelt met haar vinger langs de ruggen van de stoffige boeken. 'Dit is er ééntje, dit is ook niet zo'n dikke pil'. Ze haalt één van de dunste boekjes uit het rek en houd het triomfantelijk voor mijn neus. 'Ik vind lezen leuk hoor, het maakt me niet uit hoe dik ze zijn' glimlach ik terug, en ik denk aan de tien-delige serie van Robert Jordan die ik momenteel aan het lezen ben. Van de serie telt elk boek ongeveer 800 pagina's.
De vrouw schijnt niets anders te kunnen vinden en besluit op kalme tred naar de computer te lopen. 'Eens even kijken wat je hebt aangevinkt...' Ik probeer de vrouw uit te leggen dat ik dit allemaal al gedaan heb, dat ik de titels en auteurs heb ingetikt met twee keer de snelheid als waarmee zij het doet, het helpt helaas niet. Ze besluit een andere fervente boekendeskundige erbij te halen, een vrouw van het zelfde (ge)slacht. Ze is bereid te helpen en tovert eenzelfde moederlijke glimlach tevoorschijn bij het bekijken van mijn literatuurlijst. Ik vertel haar meteen eventjes dat ik de opleiding leraar Nederlands volg, wanneer zij enthousiast voor me begint te zoeken.

Na een tijdje haalt ze een boek uit de kast en mompelt dat deze wel eens geschikt zou kunnen zijn 'deze is immers niet zo heel moeilijk om te lezen'. Ik staar de vrouw aan. Zou ze altijd die lach op haar gezicht hebben? Is het vriendelijkheid of is het een verstarde grijns die ze de toiletpot ook toewerpt als ze de wc doortrekt? Krijg je als bibliothecaresse een examen in glimlachen en niet luisteren? Ik weet het niet, duidelijk is in ieder geval dat ze me niet begrijpt. 'Waar komt het door?' Denk ik dan, 'Zal het mijn kaalgeschoren hoofd zijn? Zien ze me aan voor een onderontwikkelde gabber die zijn eerste boeken gaat halen op advies van zijn docente?'
Ik neem afscheid van de twee vrouwen en spreek mijn hoop uit dat de volgende keer de gewenste boeken er wél zijn. De vrouw kijkt nu ernstig en zegt dat ik eventueel naar de website zou kunnen gaan om te kijken of ze zijn uitgeleend. 'Heb je een computer?' Nu ben ík degene die glimlacht. Een krampachtige uiting van puur ongeloof. Bijna vraag ik de vrouw iemand aan te wijzen in de bibliotheek die géén computer heeft. Maar ik doe het niet. 'Ben je een beetje handig met computers?' Vraagt ze onwetend om de druk nog wat op te voeren. 'Je kunt naar weewee- wee punt..' Ik maak haar zin af met op mijn gezicht een nu volledig geacteerde vriendelijkheid en ik hoop dat ze het trillende spiertje boven mijn oog en het rood in mijn nek niet opmerkt. Ik vertel de vrouw dat ik vaker boeken online verlengd heb.

Uiteindelijk verlaat ik de Bieb met twee boeken die me min of meer aanspreken.

Het geschreeuw van mijn brommer overstemt hun gedachten als ik wegrijd en beiden gedag heb gezegd. Ik vang alleen die laatste zinnen op : 'Daar gaat die jongen, wie weet zal hij lezen leuk gaan vinden en een niveautje hoger gaan.'

Volgende week donderdag moeten de boeken terug.


Cape

Wind waait om mijn oren.
Ik sta op een enorme rots, grijs en hoekig.
Hij is zo hoog dat ik nog nét niet met mijn hoofd in de wolken loop.
Dat wil zeggen, letterlijk. In de figuurlijke zin loop ik wél met mijn hoofd in de wolken.
Mijn cape wappert en slaat als een waanzinnige om zich heen.
Hij lijkt wild te roepen: laat me los, ik wil niet aan je vastzitten, ik wapper alleen!
Ik wil alleen wapperen! Zonder jou!
Mijn mondhoeken krullen omhoog en nemen aarzelend de tranen op die mijn wangen hebben bestreken.

Het dorpje onder mij lijkt vredig, stil. Ergens in dat huis zal een vrouw wel warme koeken aan het bakken zijn. De lucht zal de kinderen in de buurt wel lokken.

Mijn vingers klemmen zich om de knoop van mijn cape, die nog wappert en slaat, maar niet naar mij. Hij slaat ook niet naar de vrijheid, hij wíl juist vrij zijn. Hij is zo wanhopig naar vrijheid op zoek dat hij het wil omarmen, en dat uit zich nu in wilde slagen.
Mijn handen scheiden de lussen van elkaar, houden ze nog even vast,
laten ze dan los.
Daar gaat de cape, vrij en vrolijk, sierlijk en elegant.

Dan lijkt er paniek uit te breken. De cape vliegt over het dorp, nog steeds wapperend. Hij kan niet vliegen. Hij zal ter aarde storten en zijn nek breken.


Ik huil
Ik lach




Ik spring

woensdag 14 oktober 2009

Tekst

Het witte scherm zijn lampjes
duizenden en duizenden.
Ze schijnen in mijn ogen,
die de verandering waarnemen.
Wit wordt zwart, andere delen
blijven onbenoemd.

Een voetstap in de sneeuw,
spikkels in de slagroom

Gewoon woorden.

Alleen

Wanneer ben ik alleen?

Als de wekker mij wekt,
zijn dagelijkse plicht daarmij reeds heeft gedaan,
mij eraan herinnerend, dat ik op moet staan?

Of is het pas beneden, bij het koffie-apparaat?
Nu zo verschrikkelijk luidruchtig,
terwijl het mij overdag nooit baat?

Ben ik alleen als ik de deur achter mij sluit,
mijn stappen tel, mijn liedje fluit?

Misschien ben ik wel nooit alleen,
want ik kom uit een vol huis
en zelfs eenzaamheid wordt vergezeld met ruis.

Is eenzaamheid wel alleen zijn?
Is het aanwezig bij zorg, bij tranen, bij pijn?

Het antwoord moet ik kunnen vinden,
want de vraag zelf zal mij waarachtig verblinden,
als ik niet oppas, in een val stap, geopend door een onvoorzichtige stap van mijn been
Dan,
alleen dan,

ben ik écht alleen.

Kater

Hoofdpijn tot op het bot,
'k heb mij gedragen als een zot,
om mij lachte iedereen zich rot
Mijn reputatie is kapot.

Wie 't weet, heeft het gezien
-of gehoord, dat kan natuurlijk
ook, het gevoel van schaamte
is niet weg te slapen
niet weg te drinken
of te vergapen

De spiegel vertelt mij:
dit is niet goed
de troep nog in mijn
aderen, in mijn bloed.

Nee, vandaag voel ik mij niet zo goed.

maandag 12 oktober 2009

Kleine

Als jij naar mij kijkt

En ik naar jou

Zie ik mezelf.

Je speelt, rent en juicht

Als ik.

En je lach ook.

Het vreemde is,

Jij gaat dit ook zien

Jij gaat dit meemaken.

Dan zal het jouw kleine zijn

Ik ben dan weg

Zoals mijn vader dat nu is

Je kind zal het nog niet snappen.

Maar het komt wel.

Wijzen

Als ik kijk naar de straat
weet 'k niet waar 't over gaat
Patronen en kringen, alles is grijs
Drie mannen gehurkt, allen wijs
De één kijkt naar de ander,
De ander kijkt naar mij
De derde naar de ander,
'vluchten zul je, jij'.

Dan vlieg ik over toppen En spring ik over blauw Ik zweet, word wanhopig Ben op zoek naar jou.

Waar zul je zijn, zal jij het snappen? Zal’k vleugels verliezen, de straat op klappen? Tussen patronen en cirkels, mij vermengen met het grijs Zal ik rennen, zitten slapen, of schaatsen over ijs?

Zal je daar op mij wachten? Je armen gespreid, Mijn eigen ik omhelzend, je geur die ik benijd.

De wijze mannen zullen wijzen, Zien hoe wij vallen.

Daar op de straat.