maandag 27 februari 2012

nevel

De koude nevel dringt dwars door zijn mantel
het prikt in zijn ogen,
bijt in zijn magere wangen
glijdt grillig langs zijn benen

Hij is niet bang meer
veel meer dan dat
hij verliest zijn
Zijn

Het kwijnen en het jammeren
het speeksel langs de tanden
de striemen op de rug

ogen droog.
hij is klaar met vechten
hoewel hij vocht
en vocht verloren.

Nog één keer wordt het zwaard geplant
het gevest recht omhoog
het Zwart slokt op en brengt de angst

de mantel waait straks weg
de mantel wijdt zich aan de mist
en niemand

die de drager mist

vrijdag 24 februari 2012

Oud

Oud en oud zitten tegenover elkaar, in de trein.

De vlekken op de hand van de man.
Het ingevallen bekkie van de vrouw.
Ik vraag me af, wanneer begint zo'n vlek
zich te tonen? Gaat het langzaam, sluipt
het je huid binnen tot het op een dag zegt:
jij bent oud?
Of wordt je ooit wakker, staart de vlek je aan
als een donker gat waar geen ontkomen aan is?

Ze praten heel zachtjes, het echtpaar Oud.
De vrouw begint te hoesten, ik hoor slijm in haar
keel maar ze kucht niet hard genoeg om het weg te krijgen.
Meneer Oud stelt voor wat te drinken.
Hoeft niet, het is al goed.

Meneer Oud zegt iets, heel zachtjes en staat dan langzaam,
heel langzaam op.
Hij houdt zich vast aan de stoel in de trein.
Mevrouw Oud kijkt.

Meneer Oud is even alleen.
Ze kijkt door het bekraste raam van de trein.
Kijkt ze naar het landschap buiten of naar het landschap in haar gezicht?
Het raam weerspiegelt haar en haar groeven, haar waterige ogen en
de dunne haartjes op de kin.

Zo gaan enkele minuten voorbij en meneer Oud komt terug.
Ik zie zijn bruine schoenen het trapje afkomen en mevrouw Oud ziet het nu ook.

Ze veert iets op.
Meneer Oud kijkt nog niet, hij is geconcentreerd,
de wiebelende hindernisbaan afleggend.

Als meneer Oud weer zit slaakt mevrouw Oud een zuchtje.
Geen geïrriteerd zuchtje, geen vermoeid zuchtje,
maar een van geruststelling.
Meneer Oud is niet gevallen.

De blik in haar ogen spreekt van liefde.
Jaren en jaren zijn voorbij gegaan, tot de wangen slap en rood werden
de ogen waterig.
Maar de blik is liefde gebleven.

Nog 1 station, dan is daar de eindbestemming.

Ze zullen samen uitstappen.

donderdag 23 februari 2012

Geluk

Geluk is het knippen met je vingers
Het niet kunnen stoppen bewegen van je benen

Het liedje dat je door de straten voert
De jas open, de geur van lente

Het leuke praatje met de ander
Condens op het raam en dan de tekening

Een landschap in rust

Geluk is
het geloof in morgen

en wat voor fijns dat brengen zal

memento

Misschien moeten we erkennen
dat er nooit iets zomaar lukt
Misschien is het even wennen,
onder zonden zijn gebukt

Misschien kijk ik te ver terug
of keek ik toen wellicht niet heen
Misschien vandaar de kromme rug
de lasten pijnigen meteen

Misschien is het anders met 't leven
Hadden we het niet zo verwacht
Zie nu dat wat de mensen geven
niet altijd wordt teruggebracht

Wat frustreert en wat bezeert
dat niemand van historie leert
overwint soms toch het kwaad
En dat ondanks Dood of list
de dag erna de wekker gaat
Zodat niemand zijn dan zijn treintje mist

Dat wat ik op wilde schrijven
dat wat ik niet mocht vergeten
miljoenen dode, bleke lijven
En toch weer thuis zijn voor het eten

Ergens stilstaan veel seconden
want de tijd heelt alle wonden
Mij afvragend hoe ze konden

vraag van een miljoen gesnoerde monden