vrijdag 24 februari 2012

Oud

Oud en oud zitten tegenover elkaar, in de trein.

De vlekken op de hand van de man.
Het ingevallen bekkie van de vrouw.
Ik vraag me af, wanneer begint zo'n vlek
zich te tonen? Gaat het langzaam, sluipt
het je huid binnen tot het op een dag zegt:
jij bent oud?
Of wordt je ooit wakker, staart de vlek je aan
als een donker gat waar geen ontkomen aan is?

Ze praten heel zachtjes, het echtpaar Oud.
De vrouw begint te hoesten, ik hoor slijm in haar
keel maar ze kucht niet hard genoeg om het weg te krijgen.
Meneer Oud stelt voor wat te drinken.
Hoeft niet, het is al goed.

Meneer Oud zegt iets, heel zachtjes en staat dan langzaam,
heel langzaam op.
Hij houdt zich vast aan de stoel in de trein.
Mevrouw Oud kijkt.

Meneer Oud is even alleen.
Ze kijkt door het bekraste raam van de trein.
Kijkt ze naar het landschap buiten of naar het landschap in haar gezicht?
Het raam weerspiegelt haar en haar groeven, haar waterige ogen en
de dunne haartjes op de kin.

Zo gaan enkele minuten voorbij en meneer Oud komt terug.
Ik zie zijn bruine schoenen het trapje afkomen en mevrouw Oud ziet het nu ook.

Ze veert iets op.
Meneer Oud kijkt nog niet, hij is geconcentreerd,
de wiebelende hindernisbaan afleggend.

Als meneer Oud weer zit slaakt mevrouw Oud een zuchtje.
Geen geïrriteerd zuchtje, geen vermoeid zuchtje,
maar een van geruststelling.
Meneer Oud is niet gevallen.

De blik in haar ogen spreekt van liefde.
Jaren en jaren zijn voorbij gegaan, tot de wangen slap en rood werden
de ogen waterig.
Maar de blik is liefde gebleven.

Nog 1 station, dan is daar de eindbestemming.

Ze zullen samen uitstappen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten