De vrouw loopt langs de zee,
haar haren in de wind
de ring heeft zij nu met zich mee
hoopt dat hij hem ooit vind
een tijd terug daar uitgestrooid,
nu één met zee en zout
de tijd bevroren, nooit gedooid
de man, waar zij van houdt
Haar vingers krommen zich om de ring,
ze trekt haar jurk omhoog
zo loopt zij de branding in
en werpt hem met een boog
de zee slokt op en zucht dankbaar
ze huilt en lacht, en draait zich om
een dank van de minnaar.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten